Geschiedenis

De oorsprong van IJssellandschap is te vinden in de geschiedenis van de Gasthuizen in Deventer. In de pre-verzorgingsstaat tijd konden de gasten (ouderen)  soms in natura betalen door bezittingen zoals grond of pand na te laten in ruil voor een goede oude-dagsvoorziening, wat het ‘kostkoperschap’ werd genoemd. Ook werden er in de Gasthuizen armen en zieken opgevangen evenals ‘reizigers van verre’.  Het oudste contract dateert uit 1267. Deze datum wordt dan ook gehanteerd als oprichtingsdatum van IJssellandschap en haar rechtsvoorganger de Verenigde Gestichten. Een prachtige lokale economie
Een van de eerste bekende ‘kostkopers’ Dirk de Munter met zijn vrouw Margaretha lieten rond 1275 grond na aan het Heilige Geest Gasthuis. De bezittingen van de gasthuizen zijn in de loop der eeuwen gegroeid en vormden een garantie dat de zorg voor zieken, armen en bejaarden kon blijven bestaan. Op de boerderijen kwamen pachters te wonen die geld en producten in ruil leverden aan de gasthuizen. Een prachtige lokale economie. Deze bleef eeuwen in stand, totdat na de Tweede Wereldoorlog in Nederland de verzorgingsstaat ontstond. De gasthuizen, verenigd in de Verenigde Gestichten, hadden hun bezittingen niet langer nodig om de zorg te garanderen. In 1986 is IJssellandschap als aparte landerijenstichting losgekoppeld van de bejaardenhuizen.

 

GESCHIEDENIS-Haere-50

 

Als bisschoppelijk steunpunt kende Deventer al een traditie van naastenliefde en humaniteit en in de veertiende eeuw kreeg de Deventer caritas met de Moderne Devotie nog een extra impuls. De Deventernaar Geert Groote kan beschouwd worden als de grondlegger van deze geestelijke stroming, die ook de gasthuizen beïnvloedde. Deventer was een internationale Hanzestad en de bakermat van de Moderne Devotie. Het is dan ook niet zo vreemd dat het niveau van zowel het aantal gasthuizen als hun bezittingen ver uitsteeg boven dat van de gemiddelde Hanzestad. In de veertiende eeuw waren er meer dan tien gasthuizen. Door giften, legaten, erfenissen en aankopen verkregen ze een gevarieerd bezit dat bestond uit gebouwen, bossen, natuurterreinen en gras- en bouwlanden. Daarnaast zorgden de betalende bezoekers – kostkopers of proveniers genoemd – voor aanvullende inkomsten. 

Naast de algemene gasthuizen kwamen er in Deventer ook enkele gespecialiseerde instellingen. Zo was het St. Jurriën Gasthuis speciaal bestemd voor melaatsen, het St. Geertruiden Gasthuis voor pestlijders en het St. Elisabeth Gasthuis voor ‘krankzinnigen’.

De gemeentelijke naastenzorg

In de Franse tijd (1795-1814) is er veel veranderd. Op 28 april 1795 werd de eerste aanzet gegeven tot het samengaan van de Deventer gasthuizen. Een bestuurscollege van in totaal zeven personen ging toezicht houden op acht instellingen: het Grote Gasthuis, het Stappenconvent, het Meyershof, het Armgart Swartjeshuis, het Herman Boevinckshuis, het Mouwijckshuis, het St. Jurriën Gasthuis en het Voorster Gasthuis. Het waren deze acht instellingen die later samengingen in de Verenigde Gestichten. Het in 1795 samengestelde bestuur was uniek, om meer dan één reden. Voor het eerst sinds de Reformatie zaten er niet-gereformeerden in het bestuur (een katholieke koopman en een doopsgezinde suikerraffinadeur) en voor het eerst sinds mensenheugenis zaten leden van verschillende levensbeschouwingen in het bestuur van de gasthuizen. De bestuurders gingen voortvarend te werk. Een heel aantal gezondheidsmaatregelen werd doorgevoerd (bv. vaccinatie tegen kinderziekten) en in 1798 kwam er een fusie tot stand tussen het Grote Gasthuis en het Voorster Gasthuis; instellingen die al ruim een eeuw zeer nauw met elkaar verbonden waren.

Het ging in de loop van de negentiende eeuw steeds beter met de Deventer instellingen van weldadigheid. Het burgerlijk armbestuur stelde de gemeenteraad voor om de resterende instellingen onder één bestuur te plaatsen. Voorbeelden waren eerdere fusies in Deventer en een bundeling van instellingen in Amsterdam. De sentimenten laaiden hoog op. Instellingen die diep in de locale geschiedenis geworteld waren, bestuurd door plaatselijke notabelen, dreigden hun zelfstandigheid te verliezen. Na een jaar van felle debatten werd in 1879 besloten een aantal gasthuizen onder één centraal bestuur te brengen. Het betrof het Grote en Voorster Gasthuis, het St. Jurriën Gasthuis, het Oude Vrouwenhuis en het St. Geertruiden Gasthuis. De nieuwe combinatie werd aangeduid als de Verenigde Gestichten. Het weeshuis, het kinderhuis, het burgerlijk armbestuur en het St. Elisabethsgasthuis bleven buiten deze samenwerking.

De financiële basis van de gestichten werd steeds steviger. Modern management had zijn intrede gedaan, en naast omvangrijke landerijen bezaten de gestichten inmiddels een uitgebreide effectenportefeuille en werd er veel geld verdiend aan uitstaande hypothecaire geldleningen. Op het sociale vlak ontstonden wel problemen. Met name de patriarchale houding van het bestuur en het hogere personeel stak veel bewoners, die het regime als streng en betuttelend ervoeren. Pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw werden de regels over nalatenschap aan het gesticht – onder druk – versoepeld. Voor die tijd vielen pensioenen, erfenissen en andere inkomstenbronnen als vanzelfsprekend toe aan de instellingen.

De Tweede Wereldoorlog was voor de Verenigde Gestichten een rampzalige tijd. Het bestuur van de gestichten werd uit zijn functie ontheven en raakte daardoor de greep op verreweg de meeste bezittingen kwijt. Uit de bossen bij de Veldhuizen werd veel hout gestroopt en de Wehrmacht verdreef een aantal pachters van hun boerderijen. Veel boerderijen liepen schade op door bominslagen en mitrailleurkogels. Aan het eind van de oorlog werd Deventer getroffen door één van de grootste rampen uit de geschiedenis van de stad. Geallieerde bommenwerpers probeerden de spoorbrug te raken, maar misten hun doel jammerlijk. Onder meer het Grote en Voorster Gasthuis en het St. Jurriën Gasthuis werden geraakt en 21 mensen kwamen om. Later liep dat dodental nog verder op.

De moderne verzorgingsstaat

In de twintigste eeuw ging de centrale overheid zich intensief bemoeien met armen-, zieken- en bejaardenzorg. Caritas was niet meer het exclusieve domein van kerken, stadsbesturen of weldadige instellingen, maar werd een recht voor iedere burger. De Armenwet van 1912 was daar een belangrijke stap in. De overheidsbemoeienis met armen-, zieken- en bejaardenzorg vond zijn bekroning in de Algemene Bijstandswet uit 1965. Deze wet geeft iedereen die niet kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan het recht op een geldelijke uitkering door de gemeente. Hulp werd niet langer in natura uitgekeerd, maar in geld en werd niet verstrekt door een instelling, maar door de gemeente. Wie een verblijf in een verzorgingstehuis niet uit eigen middelen kon bekostigen, kreeg een aanvulling van de gemeente.

De vaak eeuwenoude instellingen van weldadigheid werden door de Bijstandswet naar de zijlijn gedrukt. Het kostkoperschap en de ondersteuning in natura waren definitief verleden tijd. Instellingen mochten zelfs geen uitkeringen verstrekken uit eigen vermogen, waarmee de functie van bezittingen voor de zorgverlening verviel. Omdat de gemeente de sociale zorg overnam, leek het logisch dat ook het vermogen van de instellingen naar de gemeente overging. Een storm van protest volgde op de aangekondigde liquidatie van het bezit van de instellingen. Hoe kon de overheid zonder slag of stoot instellingen laten verdwijnen die een rijke traditie hadden, diep geworteld waren in de plaatselijke samenleving, en die voor zoveel meer stonden dan alleen armenzorg? Om liquidatie te voorkomen werden de Verenigde Gestichten, evenals het Burgerweeshuis en Kinderhuis ondergebracht in een afzonderlijke stichting. De Verenigde Gestichten waren geen instelling van weldadigheid meer, maar een stichting naar burgerlijk recht.

Waar zorgverlening een gemeentelijke taak werd, bleven de (onroerende) goederen binnen en buiten de stad in handen van de Verenigde Gestichten. Met deze bezittingen hebben zij na de Tweede Wereldoorlog goede zaken gedaan. Dit kwam voor een belangrijk deel doordat de gemeente Deventer veel grond nodig had om uit te kunnen breiden en deze vaak vond bij de belangrijkste grootgrondbezitter van de stad: de Verenigde Gestichten. Deze transacties maakten dat de financiële positie nog rooskleuriger werd dan ze al was. Het geld werd op een passende manier belegd, bij voorkeur in landelijk bezit rondom Deventer. In een relatief kort tijdsbestek werden enkele fraaie landgoederen aan het bezit toegevoegd: De Kranenkamp (1948), Boxbergen (1951), Het Oostermaet (1967) en Nieuw Rande (1981). Een enkele keer overtrof het aanbod de financiële mogelijkheden van de Verenigde Gestichten en werden er medekopers gezocht (onder andere de Stichting Het Burgerweeshuis en Kinderhuis en de gemeente Deventer).

Omdat de sociale zorg voor armen en ouderen in de Bijstandswet van 1965 zonder uitzondering aan de gemeente was voorbehouden, rees binnen de Verenigde Gestichten al spoedig de vraag of de landelijke eigendommen en de bejaardenhuizen nog wel in één organisatie thuishoorden. Dat is ruim twintig jaar een heikel punt gebleven. Deze, op zich eenvoudige, vraag bleek een complexe kwestie met veel juridische voetangels en historische sentimenten. Pas in 1986 werd de splitsing tussen de bestaande Stichting De Verenigde Gestichten voor bejaardenzorg, en een nieuwe stichting voor de landelijke eigendommen een feit. Omdat de meeste bezittingen van de nieuwe stichting langs de IJssel liggen, werd gekozen voor de naam IJssellandschap.

Stichting IJssellandschap concentreert zich geheel op het beheer van de landelijke eigendommen, in totaal ca. 4.000 hectare bossen, cultuurgronden en natuurterreinen, met de daarbij behorende opstallen. Behalve de al genoemde bezittingen werden ook De Veldhuizen, De Voorhorst en De Beernink al in de tijd van de Verenigde Gestichten aangekocht. Vanaf 1986 is het bezit nog aanzienlijk uitgebreid, onder andere met de landgoederen De Hoek, De Haere en Het Schol. In 1996 is ruim 950 hectare van de gemeente Deventer overgenomen. Naast de eigen bezittingen worden ook gronden en opstallen beheerd die eigendom zijn van de Stichting Het Burgerweeshuis en Kinderhuis Deventer en de gemeente Deventer. Voor de Stichting Het Burgerweeshuis en Kinderhuis voert Stichting IJssellandschap ook de administratie van onroerende goederen.

Nieuwsbrief

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *