![]() |
Hieronder wordt de geschiedenis van het ontstaan van de gasthuizen beschreven en welke gebeurtenissen hebben geleid tot de oprichting van Stichting IJssellandschap. De katholieke caritas
Het Heilige-Geest-Gasthuis was een voorbeeld van een charitatieve instelling met een ruime taakopvatting. Naast de vaste bewoners waren er ook mensen die elders een vaste woonplaats hadden, maar van het gasthuis steun kregen in de vorm van voedsel of geld. Vreemdelingen werden met alle egards ontvangen, zolang ze maar geen misbruik maakten van de gastvrijheid bijvoorbeeld door langer te blijven dan nodig was. Ook toen al gold het gezegde: 'Een gast en een vis blijven maar drie dagen fris'. Naast de algemene gasthuizen kwamen er in Deventer ook enkele gespecialiseerde instellingen. Zo was het St. Jurriën Gasthuis speciaal bestemd voor melaatsen, het St. Geertruiden Gasthuis voor pestlijders en het St. Elisabeth Gasthuis voor krankzinnigen. Al in de late middeleeuwen tekende de 'verburgerlijking' van de gasthuizen zich af. Ook particuliere personen en instellingen begaven zich op het terrein van de caritas en richtten gasthuizen op - in Deventer staat bijvoorbeeld een zevental gilden als stichters van een gasthuis te boek. Bovendien gingen de steden zich meer met het bestuur over bestaande gasthuizen bemoeien. Een gevolg daarvan was dat geld een belangrijkere rol ging spelen. Intredende bewoners moesten vaak hun vermogen, of een deel daarvan, aan het gasthuis overdragen. Dit gebeurde bij binnenkomst, of door middel van een testament na overlijden. Het werd aantrekkelijk om vermogende bewoners op te nemen. De overheid wilde daar graag een graantje van meepikken, waarvoor twee wegen openstonden: zelf gasthuizen stichten of kerken en kloosters onder controle van het stadsbestuur stellen. In veel steden koos de magistraat (de schepenen en raad van de stad) voor de eerste optie. In Deventer koos zij de tweede. De stadsbestuurders kregen een belangrijke stem in de benoeming van de provisoren (de bestuurders van instellingen van weldadigheid) en hadden het recht contracten over opname goed of af te keuren. Die stedelijke invloed nam in de loop der tijd steeds verder toe. De gereformeerde diaconie De gemeentelijke naastenzorg Het ging in de loop van de negentiende eeuw steeds beter met de Deventer instellingen van weldadigheid. Het burgerlijk armbestuur stelde de gemeenteraad voor om de resterende instellingen onder één bestuur te plaatsen. Voorbeelden waren eerdere fusies in Deventer en een bundeling van instellingen in Amsterdam. De sentimenten laaiden hoog op. Instellingen die diep in de locale geschiedenis geworteld waren, bestuurd door plaatselijke notabelen, dreigden hun zelfstandigheid te verliezen. Na een jaar van felle debatten werd in 1879 besloten een aantal gasthuizen onder één centraal bestuur te brengen. Het betrof het Grote en Voorster Gasthuis, het St. Jurriën Gasthuis, het Oude Vrouwenhuis en het St. Geertruiden Gasthuis. De nieuwe combinatie werd aangeduid als de Verenigde Gestichten. Het weeshuis, het kinderhuis, het burgerlijk armbestuur en het St. Elisabethsgasthuis bleven buiten deze samenwerking. De financiële basis van de gestichten werd steeds steviger. Modern management had zijn intrede gedaan, en naast omvangrijke landerijen bezaten de gestichten inmiddels een uitgebreide effectenportefeuille en werd er veel geld verdiend aan uitstaande hypothecaire geldleningen. Op het sociale vlak ontstonden wel problemen. Met name de patriarchale houding van het bestuur en het hogere personeel stak veel bewoners, die het regime als streng en betuttelend ervoeren. Pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw werden de regels over nalatenschap aan het gesticht - onder druk - versoepeld. Voor die tijd vielen pensioenen, erfenissen en andere inkomstenbronnen als vanzelfsprekend toe aan de instellingen. De Tweede Wereldoorlog was voor de Verenigde Gestichten een rampzalige tijd. Het bestuur van de gestichten werd uit zijn functie ontheven en raakte daardoor de greep op verreweg de meeste bezittingen kwijt. Uit de bossen bij de Veldhuizen werd veel hout gestroopt en de Wehrmacht verdreef een aantal pachters van hun boerderijen. Veel boerderijen liepen schade op door bominslagen en mitrailleurkogels. Aan het eind van de oorlog werd Deventer getroffen door één van de grootste rampen uit de geschiedenis van de stad. Geallieerde bommenwerpers probeerden de spoorbrug te raken, maar misten hun doel jammerlijk. Onder meer het Grote en Voorster Gasthuis en het St. Jurriën Gasthuis werden geraakt en 21 mensen kwamen om. Later liep dat dodental nog verder op. De moderne verzorgingsstaat De vaak eeuwenoude instellingen van weldadigheid werden door de Bijstandswet naar de zijlijn gedrukt. Het kostkoperschap en de ondersteuning in natura waren definitief verleden tijd. Instellingen mochten zelfs geen uitkeringen verstrekken uit eigen vermogen, waarmee de functie van bezittingen voor de zorgverlening verviel. Omdat de gemeente de sociale zorg overnam, leek het logisch dat ook het vermogen van de instellingen naar de gemeente overging. Een storm van protest volgde op de aangekondigde liquidatie van het bezit van de instellingen. Hoe kon de overheid zonder slag of stoot instellingen laten verdwijnen die een rijke traditie hadden, diep geworteld waren in de plaatselijke samenleving, en die voor zoveel meer stonden dan alleen armenzorg? Om liquidatie te voorkomen werden de Verenigde Gestichten, evenals het Burgerweeshuis en Kinderhuis ondergebracht in een afzonderlijke stichting. De Verenigde Gestichten waren geen instelling van weldadigheid meer, maar een stichting naar burgerlijk recht. Waar zorgverlening een gemeentelijke taak werd, bleven de (onroerende) goederen binnen en buiten de stad in handen van de Verenigde Gestichten. Met deze bezittingen hebben zij na de Tweede Wereldoorlog goede zaken gedaan. Dit kwam voor een belangrijk deel doordat de gemeente Deventer veel grond nodig had om uit te kunnen breiden en deze vaak vond bij de belangrijkste grootgrondbezitter van de stad: de Verenigde Gestichten. Deze transacties maakten dat de financiële positie nog rooskleuriger werd dan ze al was. Het geld werd op een passende manier belegd, bij voorkeur in landelijk bezit rondom Deventer. In een relatief kort tijdsbestek werden enkele fraaie landgoederen aan het bezit toegevoegd: De Kranenkamp (1948), Boxbergen (1951), Het Oostermaet (1967) en Nieuw Rande (1981). Een enkele keer overtrof het aanbod de financiële mogelijkheden van de Verenigde Gestichten en werden er medekopers gezocht (onder andere de Stichting Het Burgerweeshuis en Kinderhuis en de gemeente Deventer). Omdat de sociale zorg voor armen en ouderen in de Bijstandswet van 1965 zonder uitzondering aan de gemeente was voorbehouden, rees binnen de Verenigde Gestichten al spoedig de vraag of de landelijke eigendommen en de bejaardenhuizen nog wel in één organisatie thuishoorden. Dat is ruim twintig jaar een heikel punt gebleven. Deze, op zich eenvoudige, vraag bleek een complexe kwestie met veel juridische voetangels en historische sentimenten. Pas in 1986 werd de splitsing tussen de bestaande Stichting De Verenigde Gestichten voor bejaardenzorg, en een nieuwe stichting voor de landelijke eigendommen een feit. Omdat de meeste bezittingen van de nieuwe stichting langs de IJssel liggen, werd gekozen voor de naam IJssellandschap. Stichting IJssellandschap concentreert zich geheel op het beheer van de landelijke eigendommen, in totaal ca. 4.000 hectare bossen, cultuurgronden en natuurterreinen, met de daarbij behorende opstallen. Behalve de al genoemde bezittingen werden ook De Veldhuizen, De Voorhorst en De Beernink al in de tijd van de Verenigde Gestichten aangekocht. Vanaf 1986 is het bezit nog aanzienlijk uitgebreid, onder andere met de landgoederen De Hoek, De Haere en Het Schol. In 1996 is ruim 950 hectare van de gemeente Deventer overgenomen. Naast de eigen bezittingen worden ook gronden en opstallen beheerd die eigendom zijn van de Stichting Het Burgerweeshuis en Kinderhuis Deventer en de gemeente Deventer. Voor de Stichting Het Burgerweeshuis en Kinderhuis voert Stichting IJssellandschap ook de administratie van onroerende goederen. |
|




