| | |
 
home > geschiedenis



Hieronder wordt de geschiedenis van het ontstaan van de gasthuizen beschreven en welke gebeurtenissen hebben geleid tot de oprichting van Stichting IJssellandschap.

De katholieke caritas
De geschiedenis van de Deventer gestichten voert terug tot ver in de Middeleeuwen. Wanneer en hoe het precies begon is niet meer te achterhalen, maar zeker is wel dat het Heilige-Geest-Gasthuis al in 1267 bestond. Zieken, gebrekkigen, armen en ouderen, voor wie de samenleving in de late Middeleeuwen nauwelijks iets te bieden had, vonden hier een blijvend onderkomen. Ook reizigers van verre konden in de 'wandelaarskamer' rekenen op een voedzaam maal, een plaatsje bij het knapperend haardvuur en een warm bed.

Als bisschoppelijk steunpunt kende Deventer al een traditie van naastenliefde en humaniteit en in de veertiende eeuw kreeg de Deventer caritas met de Moderne Devotie nog een extra impuls. De Deventernaar Geert Groote kan beschouwd worden als de grondlegger van deze geestelijke stroming, die ook de gasthuizen beïnvloedde. Deventer was een internationale hanzestad en de bakermat van de Moderne Devotie. Het is dan ook niet zo vreemd dat het niveau van zowel het aantal gasthuizen als hun bezittingen ver uitsteeg boven dat van de gemiddelde hanzestad. In de veertiende eeuw waren er meer dan tien gasthuizen. Door giften, legaten, erfenissen en aankopen verkregen ze een gevarieerd bezit dat bestond uit gebouwen, bossen, natuurterreinen en gras- en
bouwlanden. Daarnaast zorgden de betalende bezoekers - kostkopers of proveniers genoemd - voor aanvullende inkomsten.

Het Heilige-Geest-Gasthuis was een voorbeeld van een charitatieve instelling met een ruime taakopvatting. Naast de vaste bewoners waren er ook mensen die elders een vaste woonplaats hadden, maar van het gasthuis steun kregen in de vorm van voedsel of geld. Vreemdelingen werden met alle egards ontvangen, zolang ze maar geen misbruik maakten van de gastvrijheid bijvoorbeeld door langer te blijven dan nodig was. Ook toen al gold het gezegde: 'Een gast en een vis blijven maar drie dagen fris'. Naast de algemene gasthuizen kwamen er in Deventer ook enkele gespecialiseerde instellingen. Zo was het St. Jurriën Gasthuis speciaal bestemd voor melaatsen, het St. Geertruiden Gasthuis voor pestlijders en het St. Elisabeth Gasthuis voor krankzinnigen.

Al in de late middeleeuwen tekende de 'verburgerlijking' van de gasthuizen zich af. Ook particuliere personen en instellingen begaven zich op het terrein van de caritas en richtten gasthuizen op - in Deventer staat bijvoorbeeld een zevental gilden als stichters van een gasthuis te boek. Bovendien gingen de steden zich meer met het bestuur over bestaande gasthuizen bemoeien. Een gevolg daarvan was dat geld een belangrijkere rol ging spelen. Intredende bewoners moesten vaak hun vermogen, of een deel daarvan, aan het gasthuis overdragen. Dit gebeurde bij binnenkomst, of door middel van een testament na overlijden. Het werd aantrekkelijk om vermogende bewoners op te nemen. De overheid wilde daar graag een graantje van meepikken, waarvoor twee wegen openstonden: zelf gasthuizen stichten of kerken en kloosters onder controle van het stadsbestuur stellen. In veel steden koos de magistraat (de schepenen en raad van de stad) voor de eerste optie. In Deventer koos zij de tweede. De stadsbestuurders kregen een belangrijke stem in de benoeming van de provisoren (de bestuurders van instellingen van weldadigheid) en hadden het recht contracten over opname goed of af te keuren. Die stedelijke invloed nam in de loop der tijd steeds verder toe.

De gereformeerde diaconie
In de jaren zeventig van de zestiende eeuw werd Deventer als gevolg van de Reformatie een 'gereformeerde' stad. Het gevolg was dat de touwtjes vanuit de magistraat strakker werden aangetrokken. Armenzorg werd, meer nog dan voorheen, een taak van de burgerlijke overheid. De organisatie van de armenzorg werd op moderne leest geschoeid en meer gebaseerd op humanistische opvattingen. De koppeling met de katholieke kerk werd verbroken.

De gemeentelijke naastenzorg
In de Franse tijd (1795-1814) is er veel veranderd. Op 28 april 1795 werd de eerste aanzet gegeven tot het samengaan van de Deventer gasthuizen. Een bestuurscollege van in totaal zeven personen ging toezicht houden op acht instellingen: het Grote Gasthuis, het Stappenconvent, het Meyershof, het Armgart Swartjeshuis, het Herman Boevinckshuis, het Mouwijckshuis, het St. Jurriën Gasthuis en het Voorster Gasthuis. Het waren deze acht instellingen die later samengingen in de Verenigde Gestichten. Het in 1795 samengestelde bestuur was uniek, om meer dan één reden. Voor het eerst sinds de Reformatie zaten er niet-gereformeerden in het bestuur (een katholieke koopman en een doopsgezinde suikerraffinadeur) en voor het eerst sinds mensenheugenis zaten leden van verschillende levensbeschouwingen in het bestuur van de gasthuizen. De bestuurders gingen voortvarend te werk. Een heel aantal gezondheidsmaatregelen werd doorgevoerd (bv. vaccinatie tegen kinderziekten) en in 1798 kwam er een fusie tot stand tussen het Grote Gasthuis en het Voorster Gasthuis; instellingen die al ruim een eeuw zeer nauw met elkaar verbonden waren.

Het ging in de loop van de negentiende eeuw steeds beter met de Deventer instellingen van weldadigheid. Het burgerlijk armbestuur stelde de gemeenteraad voor om de resterende instellingen onder één bestuur te plaatsen. Voorbeelden waren eerdere fusies in Deventer en een bundeling van instellingen in Amsterdam. De sentimenten laaiden hoog op. Instellingen die diep in de locale geschiedenis geworteld waren, bestuurd door plaatselijke notabelen, dreigden hun zelfstandigheid te verliezen. Na een jaar van felle debatten werd in 1879 besloten een aantal gasthuizen onder één centraal bestuur te brengen. Het betrof het Grote en Voorster Gasthuis, het St. Jurriën Gasthuis, het Oude Vrouwenhuis en het St. Geertruiden Gasthuis. De nieuwe combinatie werd aangeduid als de Verenigde Gestichten. Het weeshuis, het kinderhuis, het burgerlijk armbestuur en het St. Elisabethsgasthuis bleven buiten deze samenwerking.

De financiële basis van de gestichten werd steeds steviger. Modern management had zijn intrede gedaan, en naast omvangrijke landerijen bezaten de gestichten inmiddels een uitgebreide effectenportefeuille en werd er veel geld verdiend aan uitstaande hypothecaire geldleningen. Op het sociale vlak ontstonden wel problemen. Met name de patriarchale houding van het bestuur en het hogere personeel stak veel bewoners, die het regime als streng en betuttelend ervoeren. Pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw werden de regels over nalatenschap aan het gesticht - onder druk - versoepeld. Voor die tijd vielen pensioenen, erfenissen en andere inkomstenbronnen als vanzelfsprekend toe aan de instellingen.

De Tweede Wereldoorlog was voor de Verenigde Gestichten een rampzalige tijd. Het bestuur van de gestichten werd uit zijn functie ontheven en raakte daardoor de greep op verreweg de meeste bezittingen kwijt. Uit de bossen bij de Veldhuizen werd veel hout gestroopt en de Wehrmacht verdreef een aantal pachters van hun boerderijen. Veel boerderijen liepen schade op door bominslagen en mitrailleurkogels. Aan het eind van de oorlog werd Deventer getroffen door één van de grootste rampen uit de geschiedenis van de stad. Geallieerde bommenwerpers probeerden de spoorbrug te raken, maar misten hun doel jammerlijk. Onder meer het Grote en Voorster Gasthuis en het St. Jurriën Gasthuis werden geraakt en 21 mensen kwamen om. Later liep dat dodental nog verder op.

De moderne verzorgingsstaat
In de twintigste eeuw ging de centrale overheid zich intensief bemoeien met armen-, zieken- en bejaardenzorg. Caritas was niet meer het exclusieve domein van kerken, stadsbesturen of weldadige instellingen, maar werd een recht voor iedere burger. De Armenwet van 1912 was daar een belangrijke stap in. De overheidsbemoeienis met armen-, zieken- en bejaardenzorg vond zijn bekroning in de Algemene Bijstandswet uit 1965. Deze wet geeft iedereen die niet kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan het recht op een geldelijke uitkering door de gemeente. Hulp werd niet langer in natura uitgekeerd, maar in geld en werd niet verstrekt door een instelling, maar door de gemeente. Wie een verblijf in een verzorgingstehuis niet uit eigen middelen kon bekostigen, kreeg een aanvulling van de gemeente.

De vaak eeuwenoude instellingen van weldadigheid werden door de Bijstandswet naar de zijlijn gedrukt. Het kostkoperschap en de ondersteuning in natura waren definitief verleden tijd. Instellingen mochten zelfs geen uitkeringen verstrekken uit eigen vermogen, waarmee de functie van bezittingen voor de zorgverlening verviel. Omdat de gemeente de sociale zorg overnam, leek het logisch dat ook het vermogen van de instellingen naar de gemeente overging. Een storm van protest volgde op de aangekondigde liquidatie van het bezit van de instellingen. Hoe kon de overheid zonder slag of stoot instellingen laten verdwijnen die een rijke traditie hadden, diep geworteld waren in de plaatselijke samenleving, en die voor zoveel meer stonden dan alleen armenzorg? Om liquidatie te voorkomen werden de Verenigde Gestichten, evenals het Burgerweeshuis en Kinderhuis ondergebracht in een afzonderlijke stichting. De Verenigde Gestichten waren geen instelling van weldadigheid meer, maar een stichting naar burgerlijk recht.

Waar zorgverlening een gemeentelijke taak werd, bleven de (onroerende) goederen binnen en buiten de stad in handen van de Verenigde Gestichten. Met deze bezittingen hebben zij na de Tweede Wereldoorlog goede zaken gedaan. Dit kwam voor een belangrijk deel doordat de gemeente Deventer veel grond nodig had om uit te kunnen breiden en deze vaak vond bij de belangrijkste grootgrondbezitter van de stad: de Verenigde Gestichten. Deze transacties maakten dat de financiële positie nog rooskleuriger werd dan ze al was. Het geld werd op een passende manier belegd, bij voorkeur in landelijk bezit rondom Deventer. In een relatief kort tijdsbestek werden enkele fraaie landgoederen aan het bezit toegevoegd: De Kranenkamp (1948), Boxbergen (1951), Het Oostermaet (1967) en Nieuw Rande (1981). Een enkele keer overtrof het aanbod de financiële mogelijkheden van de Verenigde Gestichten en werden er medekopers gezocht (onder andere de Stichting Het Burgerweeshuis en Kinderhuis en de gemeente Deventer).

Omdat de sociale zorg voor armen en ouderen in de Bijstandswet van 1965 zonder uitzondering aan de gemeente was voorbehouden, rees binnen de Verenigde Gestichten al spoedig de vraag of de landelijke eigendommen en de bejaardenhuizen nog wel in één organisatie thuishoorden. Dat is ruim twintig jaar een heikel punt gebleven. Deze, op zich eenvoudige, vraag bleek een complexe kwestie met veel juridische voetangels en historische sentimenten. Pas in 1986 werd de splitsing tussen de bestaande Stichting De Verenigde Gestichten voor bejaardenzorg, en een nieuwe stichting voor de landelijke eigendommen een feit. Omdat de meeste bezittingen van de nieuwe stichting langs de IJssel liggen, werd gekozen voor de naam IJssellandschap.

Stichting IJssellandschap concentreert zich geheel op het beheer van de landelijke eigendommen, in totaal ca. 4.000 hectare bossen, cultuurgronden en natuurterreinen, met de daarbij behorende opstallen. Behalve de al genoemde bezittingen werden ook De Veldhuizen, De Voorhorst en De Beernink al in de tijd van de Verenigde Gestichten aangekocht. Vanaf 1986 is het bezit nog aanzienlijk uitgebreid, onder andere met de landgoederen De Hoek, De Haere en Het Schol. In 1996 is ruim 950 hectare van de gemeente Deventer overgenomen. Naast de eigen bezittingen worden ook gronden en opstallen beheerd die eigendom zijn van de Stichting Het Burgerweeshuis en Kinderhuis Deventer en de gemeente Deventer. Voor de Stichting Het Burgerweeshuis en Kinderhuis voert Stichting IJssellandschap ook de administratie van onroerende goederen.


Register van bezittingen

Wonen in het groen
Te Koop

Lees verder
Natuurkampeerterrein Boxbergen
Lees verder
Cursus Leer mij Salland kennen
start 5 maart 2012
Lees verder (pdf)
Bomen weg voor Natuurderij
Lees verder (pdf)
Bosbeheer Rande en de Haere
Lees verder (Stentor)
Werkzaamheden Kranenkamp afgerond
Lees verder (pdf)
Stentor d.d. 06-09-2011
Open monumentendag

Lees verder (pdf)
Nieuwsbrief zomer 2011
Lees verder (pdf)
Nieuwsbrief bosbeheer
Rande Haere
Lees verder
Landgoed Nieuw Bellinkhof
Lees verder